De weeskinderen
Weeskinderen werden alleen in het weeshuis toegelaten als zij jonger dan 16 jaar waren en in Oostzaan waren geboren. Zij moesten het weeshuis verlaten wanneer de leeftijd van 21 jaar werd bereikt. De meisjes oefenden in handwerken en huishoudelijke bezigheden om 'aldus zooveel mogelijk tot bekwame en geschikte linnen- en wollennaaisters of dienstboden te worden opgeleid'. De weesjongens werden bij 'geschikte werkbazen' gebracht om 'nuttige ambachten en handwerken aan te leeren'.
Dagelijks leven
Elke zaterdagavond moesten de wezen zich goed wassen. Dit gebeurde in een schuur achter op het erf in een bak met warm water. Als een wees iets stouts had gedaan, moest hij of zij op het matje komen. Zij moesten dan beloven dat zij mooit meer stout zouden zijn. Als straf moest de wees bijvoorbeeld 14 dagen de aardappels schillen.
Het dagelijkse leven was een sleur. Naast school, werken en verplicht naar de kerk gaan, was er verder niet veel. Feestdagen werden bijna nooit gevierd en maar heel af en toe mocht een wees een keer op bezoek naar familie.
In 1860 woonden er 25 kinderen in het huis. Daarna zijn er nooit meer zoveel geweest. Na 1890 kwam hun aantal niet boven de 10 uit. In 1930 waren er zelfs helemaal geen wezen meer in het weeshuis.
